weedpass.jpg

ENCOD BULLETIN 90

HET ENCOD BULLETIN OVER DRUGBELEID

NR. 90 AUGUSTUS 2012

HET CANNABISBELEID IN NEDERLAND: WAT LIEP ER MIS?


De laatste grote verandering in het Nederlandse drugbeleid dateert van 1976 toen nieuwe wetgeving het verschil tussen soft- en harddrugs vastlegde en het bezit en de verkoop van kleine hoeveelheden cannabis van en aan volwassenen decriminaliseerde. In het begin was cannabis alleen beschikbaar bij speciale gelegenheden en in populaire jeugdcentra zoals Paradiso en de Melkweg in Amsterdam. Later realiseerden cannabisadepten dat de nieuwe wetgeving de verkoop van kleine hoeveelheden voor persoonlijk gebruik toeliet in café-achtige etablissementen: de “coffeeshops” doken op. In de loop der jaren voorzag de regering in een gereguleerd systeem, waarbij de meeste dagdagelijkse praktische beslissingen genomen werden door lokale ‘overheden’ onder de bijnaam ‘De Driehoek’: burgemeester, openbare aanklager en het hoofd van de politie brachten de regels in praktijk.

Vanaf toen ontstonden honderden coffeeshops die allemaal wel goede zaken deden. In de beginjaren na 1976 werd duidelijk dat, hoewel het cannabisgebruik algemeen toenam, de toename van het gebruik onder het EU-gemiddelde bleef (dat ook steeg) of er hoogstens gelijke tred mee hield.

Tijdens de laatste tien jaar veranderde het politieke klimaat langzaam ten voordele van een striktere verbodsbenadering. Opeenvolgende regeringen gingen harder en meer optreden tegen het kweken van cannabis. Oorspronkelijk was het kweekverbod wat verslapt omdat het beleid immers werkte naar een uiteindelijke normalisatie zodat de coffeeshops zich zouden kunnen bevoorraden.

weedpass.jpg

Terwijl ik dit schrijf, is de Nederlandse regering bezig met de voorbereiding van maatregelen die de werking van coffeeshops nog moeilijker zullen maken. Coffeeshops moeten omgevormd worden naar clubs met maximum 2000 leden en worden alleen maar toegankelijk voor burgers die in Nederland wonen. Alleen klanten met een clubpas mogen nog binnen. De minimumafstand van coffeeshops tot scholen wordt uitgebreid tot 350 meter. Tenslotte zal cannabis met meer dan 15% THC beschouwd worden als harddrug, waaruit volgt dat voor deze wiet het gedoogbeleid niet meer van toepassing is. Deze maatregelen zullen het openhouden van coffeeshops veel moeilijker en tenslotte onmogelijk maken.

Een van de regeringspartijen, de christendemocratische CDA, verklaart openlijk dat het hun bedoeling is om op lange termijn alle coffeeshops te sluiten. De liberaal-conservatieve VVD blijft vaag over haar uiteindelijke einddoel. Ze beweert dat ze enkel de veiligheid wil herstellen en de overlast van buitenlandse coffeeshopbezoekers wil beletten. De populistische, anti-immigratie en anti-Islam partij van Geert Wilders, de PVV staat voor een hardere aanpak, ook al weet iedereen dat de geestelijke vader van de populistische strekking, de vermoorde Pim Fortuyn, zijn overtuiging dat alle drugs best legaal gereguleerd zouden worden niet onder stoelen of banken stak.

Het grote verschil tussen Nederland en de rest van de wereld blijft voorlopig gehandhaafd: er mogen nog altijd kleine hoeveelheden cannabis verkocht worden aan volwassen klanten zonder dat die juridische represailles hoeven te vrezen. Voor het overige lijkt het Nederlandse drugbeleid goed op het beleid van andere EU landen, inclusief de vroege aanvaarding van schadebeperkende maatregelen.

Amsterdam-coffee-shop.jpg

Vanaf het begin van het coffeeshopexperiment werd Nederland uit internationale hoek aangevallen over dit beleid. De kritiek kwam meestal van individuele landen en leidde niet tot een georganiseerde en diepgaande actie binnen de Verenigde Naties of de Europese Unie, zelfs als de INCB (International Narcotics Control Board) met de regelmaat van de klok een stereotiep kritisch geluid liet horen in zijn jaarlijkse rapporten. Voorstanders van het Nederlandse cannabisbeleid zagen dit als een gevolg van de positieve statistieken over gebruiksniveaus van cannabis en andere drugs in Nederland en het uitblijven van argumenten voor de toepassing van een strikter verbodsbeleid.

Doordat het cannabisgebruiksniveau in Nederland gelijk opging met het gebruiksniveau in de omliggende landen (zie de jaarlijkse verslagen van het EMCDDA, van het Nederlandse Trimbos Instituut en het Europese Commissie rapport Reuter-Trautman) werd aangetoond dat het strikte verbod dat bijna in alle andere landen werd toegepast niet leidde tot een lager gebruiksniveau. Een strikt verbod was dus niet noodzakelijk om het gebruik te beperken. Rond 1995 had Nederland met de jaarlijkse statistieken in de hand al kunnen – en moeten – argumenteren bij de VN en de EU dat het niveau van algemeen cannabisgebruik, cannabismisbruik en problematisch cannabisgebruik eerder constant rond het EU gemiddelde bleef slingeren. Dit had kunnen leiden tot een herziening van de internationale drugconventies omdat de basisveronderstelling, dat het drugsverbod onontbeerlijk is om de individuele en volksgezondheid te beschermen tegen drugs, gewoon fout blijkt te zijn, zoals blijkt uit de Nederlandse ervaring met de coffeeshops.

Geen Nederlandse regering heeft het aangedurfd om deze weg te kiezen. Hoogstens werd aan andere EU-landen halfslachtig voorgesteld om ook het Nederlandse coffeeshopmodel te overwegen, waarop de verwachte stilte of een ‘geen interesse’ volgde.

coffeeshop_terneuzen_070308.jpg

Heel geleidelijk begon de situatie uit de hand te lopen, niet wat de volksgezondheid betreft, maar op twee andere gebieden. De Nederlandse grensstreken begonnen heel wat toeristen aan te trekken, niet alleen van België en Duitsland, maar ook van verder gelegen landen zoals Frankrijk, Italië en nog andere landen. De resulterende overlast moest niet noodzakelijk gezien worden als een roep om maatregelen die buitenlanders uit de coffeshops zouden houden. Het toerisme zou immers met praktische maatregelen beheerd kunnen worden zoals het voorbeeld van Venlo aan de Duitse grens bewijst. Hier verplaatste men 2 coffeeshops naar een verlaten vrachtwagenparkeerplaats, dichter naar de grens en de Autobahn die Nederland binnenkomt vanuit het dichtbevolkte Ruhrgebied.

Het tweede probleem had te maken met de cannabiskweek die ook na de decriminalisatie van 1976 volledig illegaal bleef. Vanaf 2000 ging de regering het bestaande kweekverbod veel harder en intensiever toepassen met het excuus dat het grootste deel van de productie bedoeld was voor de export en niet voor de eigen coffeeshops. Deze bewering werd alleen ondersteund door schattingen die al snel een eigen leven gingen leiden. De media kregen meer aandacht voor de toenemende criminaliteit rond de cannabisproductie en bleven blind voor de verklaring dat dit een direct gevolg was van de officiële beslissing om de aanbodzijde van de markt zwaar aan te pakken.

Eén van de interessante vaststellingen rond decriminalisatie is dat er eigenlijk weinig problemen opduiken als productie, aanbod en bevoorrading met rust worden gelaten. Dit werd o.a. geïllustreerd in de gerenommeerde Amerikaanse TV-serie ‘The Wire’ over de drugsmarkt in Baltimore. Als het justitiële apparaat zich niet uitslooft om drugs agressief te “bestrijden” of te “verpletteren”, slaagt de grijze/zwarte markt er vlot in om haar functie waar te maken: de productie en distributie van cannabis, weliswaar helaas nog zonder de noodzakelijke kwaliteitscontrole.

grow-room.jpg

Niettemin heeft de loutere en beperkte decriminalisatie van bezit voor persoonlijk gebruik ook de onvermijdelijke en uiteindelijk ernstig problematische keerzijde dat al de andere aspecten van een normale marktwerking illegaal blijven. Hieruit volgt dat er veel geld verdiend wordt bij het kweken en verkopen in de grijszwarte zone. Toen de Nederlandse regering geleidelijk haar opsporings- en strafbeleid ging opvoeren en verharden, ging ook de aanbodzijde zich professioneler en harder organiseren. Het resultaat is niet dat er minder cannabis op de markt is, maar dat er meer geweld en andere criminaliteit de kop opsteekt. En dit levert dan natuurlijk weer argumenten voor een nog harder repressiebeleid.

De les die je hier uit kan trekken is dat decriminalisatie nuttig kan zijn op korte termijn, in de eerste fase naar een overgang naar een volledig legale regulering. In die overgangsperiode kan men constructief werken aan het ontwerp van de nodige regels zonder dat er nieuwe en vermijdbare problemen opduiken. Als men te lang in deze decriminalisatiefase blijft hangen, en de logische volgende stap, de omzetting naar een legale regeling van de volledige cannabismarkt, uitblijft, zal de illegaliteit van de aanbodzijde leiden tot ernstige problemen die het hele systeem bedreigen en tenslotte uitmonden in een terugkeer naar een toestand van voor het schadebeperkingstijdperk.

regulation.jpg

Deze problematiek werd eerder al vermeld in het Canadese Rapport van de Speciale Senaatscommissie voor Illegale Drugs: “Cannabis: Ons Standpunt voor een Canadees Beleid” uit 2002. Door haar grondig onderzoek begreep de Senaatscommissie dat decriminalisatie (ook wel depenalisatie genoemd) niet de voorkeur geniet op een echte legale regulering omdat decriminalisatie de nadelen van beide systemen lijkt te combineren. De Nederlandse ervaring bevestigt dit standpunt, vooral op langere termijn.

Wij blijven hopen dat onze politici snel terug voor rede vatbaar worden opdat ze uiteindelijk een legaal gereguleerde cannabismarkt op touw zetten.

Uit: “Entkriminalisierung von Drogenkonsumenten – Legalisierung von Drogen”,
Ralf Gerlach, Heino Stöver (Editors)
©2012 Fachhochschulverlag, ISBN 978-3-943787-03-0

Door Frederick Polak

Tags: No tags

Comments are closed.